De Romeinse periode in Tunesië: een provincie op zijn best

De Romeinse periode in Tunesië: een provincie op zijn best

In 146 voor Christus verwoestten de Romeinen Carthago tot op de grond. Ze ploegden de vruchtbare akkers om, sloopten de muren en maakten de haven onbruikbaar. Maar ze vertrokken niet.

Het land dat de Carthagers hadden bebouwd was te waardevol om achter te laten: vruchtbare graanvelden, olijfgaarden, een gunstige kustlijn en een bevolking die al generaties lang handel dreef. Binnen een eeuw stond er op de puinhopen van Carthago een nieuwe stad.

Binnen twee eeuwen was Tunesië een van de rijkste en best ontwikkelde provincies van het Romeinse Rijk. De sporen van die periode zijn overal nog zichtbaar.

Van verovering tot provincie

Africa Proconsularis: de graanschuur van Rome

Na de verwoesting van Carthago in 146 voor Christus richtten de Romeinen de provincie Africa in, die ruwweg het huidige Tunesië omvatte. Het land werd al snel de graanschuur van het rijk. Jaarlijks vertrokken grote vloten vanuit de havens met graan, olijfolie en andere landbouwproducten richting Rome, waar de bevolking de schepen met smart opwachtte als onderdeel van de staatsvoedselvoorziening.

Het was niet alleen graan. Uit de marmergroeven van Chemtou in het noordwesten van Tunesië werd een opmerkelijk geel en roze geaderd marmer gewonnen dat door het hele keizerrijk werd geëxporteerd. Keramiek, vis en landbouwproducten vervolledigden een handel die de provincie welvarend maakte.

Wederopbouw van Carthago

Zo'n honderd jaar na de verwoesting begonnen Julius Caesar en zijn opvolger Augustus met de herbouw van een nieuwe stad op de oude locatie. Het Romeinse Carthago groeide uit tot de derde stad van het Rijk, na Rome en Alexandrië, met naar schatting een half miljoen inwoners op het hoogtepunt.

De Antoninusbaden die in de tweede eeuw na Christus werden gebouwd waren de grootste thermale baden van het hele Rijk buiten Rome zelf. Een aquaduct van meer dan 130 kilometer voerde vers water vanuit de bergen naar de stad. Het Kapitool en het theater stonden op de Byrsa-heuvel, de plek waar eeuwen eerder de Punische citadel had gestaan. Carthago was Carthago niet meer, maar het was opnieuw een wereldstad.

Een provincie vol steden

Dougga: de best bewaarde Romeinse stad van Noord-Afrika

Wie denkt dat het Romeinse erfgoed van Tunesië begint en eindigt bij Carthago, heeft het mis. De provincie was bezaaid met een dicht netwerk van Romeinse steden, waarvan een deel tot op de dag van vandaag indrukwekkend bewaard is gebleven.

Dougga, in de Romeinse tijd Thugga geheten, ligt op een heuvelrug in het noorden van Tunesië met een panoramisch uitzicht over de valleien en olijfgaarden. Het is de best bewaarde Romeinse stad van heel Noord-Afrika en staat op de UNESCO-werelderfgoedlijst. Wie er doorheen loopt, loopt door een theater met nog overeind staande zuilen, langs een Capitool gewijd aan Jupiter, Juno en Minerva, over geplaveide straten waarin de sporen van wagenwerktuigen nog zichtbaar zijn. Het voelt minder als een opgraving dan als een stad die gewoon een tijd lang verlaten was.

Bulla Regia: wonen onder de grond

Bulla Regia, vlakbij het huidige Jendouba, is een van de meest bijzondere archeologische sites van Tunesië. De rijke inwoners van deze Romeinse stad hadden een ingenieuze oplossing gevonden voor de verzengende zomerhitte: ze bouwden hun villa's deels ondergronds, met fraai gedecoreerde kamers en binnenhoven diep in de aarde. De mozaïekvloeren in die ondergrondse ruimtes zijn eeuwenlang beschut gebleven en behoren nu tot de mooiste en best bewaarde van het land.

De ondergrondse bouwwijze van Bulla Regia is nergens anders in de Romeinse wereld zo consequent toegepast. Het toont hoe de Romeinen in Noord-Afrika niet alleen hun eigen bouwtraditie meenamen maar ook leerden van het klimaat en het land.

El Djem: het Colosseum van Afrika

In het midden van Tunesië, midden in de vlakte van wat ooit de rijke olijfolieregio Thysdrus was, verrees in de derde eeuw na Christus een amfitheater dat zijn gelijke in de antieke wereld bijna niet kende. Het amfitheater van El Djem bood ruimte aan 35.000 toeschouwers en is naar grootte het vierde Romeinse amfitheater ter wereld, na het Colosseum in Rome, het amfitheater van Capua en de Arena van Verona.

Dat zo'n gigantisch bouwwerk werd neergezet in een relatief kleine provinciestad zegt veel over de welvaart van de regio in die tijd. Thysdrus was rijk geworden van de olijfoliehandel en wilde dat ook laten zien. Het amfitheater van El Djem staat al sinds 1979 op de UNESCO-werelderfgoedlijst en is een van de best bewaarde Romeinse bouwwerken buiten Italië.

Leven in de Romeinse provincie

Romanisering en vermenging

De Romeinse aanwezigheid in Tunesië was niet alleen een kwestie van legioenen en gouverneurs. Het was ook een diepgaand cultureel en sociaal proces. Berberse elites namen Latijnse namen aan, stuurden hun zonen naar Romeinse scholen en klommen op in het bestuurlijke en militaire apparaat van het Rijk. In de kuststeden en de grote steden was de romanisering volledig. In de bergen en de steppe leefden de Berbers grotendeels door op hun eigen manier.

Die vermenging produceerde ook opvallende figuren. Septimius Severus, die van 193 tot 211 na Christus over het Romeinse Rijk regeerde, was van Noord-Afrikaanse afkomst, waarschijnlijk deels Berbers en deels Punisch. Hij was de eerste Afrikaanse keizer van Rome en liet het amfitheater van El Djem waarschijnlijk bouwen. Apuleius, auteur van De Gouden Ezel, een van de vroegste Latijnse romans, was ook een Noord-Afrikaan.

Het christendom in Noord-Afrika

In de tweede en derde eeuw verspreide het christendom zich snel door de Romeinse provincie Africa. Noord-Afrika was niet de rand maar het hart van het vroege christendom. Tertullianus, de eerste grote christelijke theoloog die in het Latijn schreef, was afkomstig uit Carthago. Cyprianus, bisschop van Carthago, stierf er als martelaar in 258. En Augustinus van Hippo, geboren in het huidige Algerije en als jongeman opgeleid in Carthago, schreef het meest invloedrijke theologische werk van de late oudheid.

Die vroeg-christelijke wortels zijn niet los te zien van de Noord-Afrikaanse context. Het geloof vond hier vruchtbare bodem in een bevolking die al lang gewend was aan religieuze vermenging en die de rigide hiërarchieën van het late Romeinse Rijk steeds meer als onderdrukkend ervaarde.

Verval: Vandalen en Byzantijnen

De Vandalen nemen over (429–534 n.Chr.)

Toen het Weströmse Rijk in de vijfde eeuw begon in te storten, was Noord-Afrika een van de eerste grote provincies die losraakte. In 429 stak een Germaans volk, de Vandalen, vanuit Spanje over naar Noord-Afrika onder leiding van hun koning Geiserik. In tien jaar tijd veroverden ze de hele kuststreek. In 439 namen ze Carthago in en maakten het hun hoofdstad.

De Vandalen staan in de geschiedenis te boek als vernielers, maar dat beeld is voor een groot deel Romeinse propaganda. Ze hielden de stad en de handelsnetwerken grotendeels intact en waren in religieus opzicht eerder tolerant dan wreed. Wel verviel het uitgebreide netwerk van aquaducten, wegen en publieke gebouwen geleidelijk bij gebrek aan centraal onderhoud.

De Byzantijnen: een kort herstel (534–698 n.Chr.)

In 534 stuurde de Byzantijnse keizer Justinianus zijn generaal Belisarius naar Noord-Afrika. De Vandalen werden in een verrassend snelle veldtocht verslagen en Carthago keerde terug in Byzantijnse handen. Er volgde een korte periode van herstel: kerken werden gebouwd of herbouwd, forten werden versterkt en de handel trok weer aan.

Maar de Byzantijnse greep op Noord-Afrika was nooit zo stevig als die van Rome was geweest. De provinciale belastingen werden zwaar, de Berberse stammen in het binnenland bleven onrustig en het centrale gezag in Constantinopel was ver weg. Toen de Arabieren in de zevende eeuw opkwamen, trof een verzwakt en intern verdeeld Byzantijns bestuur hen op. In 698 namen de Arabieren Carthago definitief in. Ze verwoestten wat er nog stond en verplaatsten hun basis naar Tunis. De Romeinse periode in Tunesië was voorbij.

Wat er vandaag nog te zien is

De Romeinse nalatenschap in Tunesië is uitzonderlijk rijkelijk. Nergens buiten Italië en de Balkanlanden is zo veel van het Romeinse bouwerfgoed bewaard gebleven. De sites van Dougga, Bulla Regia, El Djem en het Romeinse Carthago staan alle vier op de UNESCO-werelderfgoedlijst of maken er deel van uit.

Wie de Romeinse mozaïeken die in villa's en publieke gebouwen over het hele land zijn opgegraven bij elkaar wil zien, bezoekt het Bardo Museum in Tunis. De collectie daar is de grootste ter wereld en omvat werken van een kwaliteit en omvang die zelfs doorgewinterde museumbezoekers stil zetten.

Veel van die mozaïeken kwamen uit villa's in de regio Carthago en uit de ondergrondse kamers van Bulla Regia. Ze tonen wat het leven in de Tunesische Romeinse provincie op zijn best was: rijk, verfijnd en vol verwijzingen naar een wereld die zich uitstrekte van Brittannië tot Mesopotamië.

Tips

  • Plan Dougga vroeg in de ochtend. De site is groot, loopt sterk op en biedt vrijwel geen schaduw. In de zomermaanden is het er na tien uur broedetig heet. Ga je in het voor- of najaar, dan heb je het terrein vaak vrijwel voor jezelf.