
Het Franse protectoraat in Tunesië (1881–1956)
Op 12 mei 1881 stapte de Franse generaal Bréart het paleis Bardo binnen en legde een verdrag op tafel. De bei van Tunis had weinig keuze. Buiten stond een Frans leger van 30.000 man dat drie weken eerder vanuit Algerije de grens was overgestoken. Hij tekende.
Met het Verdrag van Bardo begon een periode van vijfenzeventig jaar Frans gezag over Tunesië, een periode die het land ingrijpend zou veranderen en die tegelijkertijd de kiemen zaaide voor zijn eigen einde.
Inhoudsopgave
De verovering en haar voorwendsels
Een grensincident als excuus
Het officiële voorwendsel voor de Franse invasie was een grensincident waarbij Tunesische stamleden de grens met Algerije waren overgestoken. De werkelijke motieven lagen dieper. Frankrijk wilde zijn positie in Noord-Afrika versterken, Italië voor zijn was zijn die ook interesse had in Tunesië en de economisch verzwakte bei voorkomen dat andere Europese mogendheden de macht over het land grepen.
Tunesië verkeerde in diepe financiële problemen. Na de afschaffing van de slavernij en de piraterij waren traditionele inkomstenbronnen weggevallen. Het land had leningen aangegaan bij Europese banken en kon die niet terugbetalen. In 1869 was het failliet verklaard en stond een internationale financiële commissie al aan het roer van de staatsfinanciën. Het land was economisch al half in Franse handen voor de eerste soldaat de grens overstak.
Protectoraat, geen kolonie
Het Verdrag van Bardo in mei 1881 en het Verdrag van Mersa in 1883 maakten Tunesië formeel tot Frans protectoraat. Dat was een andere constructie dan een kolonie. De bei bleef aan als nominaal staatshoofd, de Tunesische bestuursinstellingen bleven in naam bestaan en de islam en het Arabisch bleven officieel erkend. Maar alle werkelijke macht lag bij de Franse resident-generaal, die vanuit Tunis het land bestuurde alsof het een Franse provincie was.
Het onderscheid met Algerije, dat volledig geannexeerd was, was niet alleen juridisch maar ook praktisch voelbaar. In Tunesië was de kolonisatie minder volledig, de Tunesische identiteit bleef sterker aanwezig en de weg naar onafhankelijkheid zou uiteindelijk minder bloedig zijn dan die van de Algerijnse buren.
De Franse aanwezigheid: modernisering en exploitatie

Infrastructuur en stedenbouw
De Fransen investeerden substantieel in de infrastructuur van het land. Spoorwegen verbonden de kuststeden met het binnenland. Havens werden uitgebouwd. Wegen werden aangelegd. In de steden bouwden de Fransen naast de bestaande medina's nieuwe wijken in Europese stijl, de zogenaamde Ville Nouvelle. De Avenue Habib Bourguiba in Tunis, met haar brede boulevard, Franse platanen en art-decogebouwen, is het meest zichtbare overblijfsel van die koloniale stedenbouw en staat er nog altijd.
Scholen, ziekenhuizen en een modern rechtssysteem werden ingevoerd. Onderwijs in het Frans werd de sleutel tot sociale mobiliteit voor Tunesische jongeren die carrière wilden maken. Precies die opgeleide Tunesische middenklasse, gevormd in Franse scholen en universiteiten, zou later de motor worden van de onafhankelijkheidsbeweging.
Grond, fosfaat en kolonisten
De schaduwkant van de Franse aanwezigheid was even concreet. Europese kolonisten, voornamelijk Fransen en Italianen, kregen grote stukken vruchtbare landbouwgrond toegewezen of kochten die op voor bodemprijzen. Tunesische boeren verloren grond die generaties in hun bezit was geweest. In het zuiden werden fosfaatmijnen ontgonnen die enorme winsten opleverden voor Franse bedrijven. De olijfolie- en wijnproductie werd uitgebreid, voornamelijk ten behoeve van de Europese markt.
Het demografische gewicht van de Europese gemeenschap groeide snel. Aan het begin van de twintigste eeuw woonden er tienduizenden Fransen, Italianen en Maltezen in Tunesië. Ze woonden apart, hadden eigen scholen en eigen rechtbanken en betaalden andere belastingen dan de Tunesische bevolking. Die ongelijkheid werd door de Tunesiërs steeds scherper gevoeld naarmate het onderwijs hen de woorden gaf om haar te benoemen.
De nationalistische beweging
Destour: de eerste roep om constitutie (1920)
Al in 1920, nog geen veertig jaar na de verovering, werd de eerste georganiseerde nationalistische partij opgericht: de Destour, het Arabische woord voor grondwet. De partij eiste een constitutioneel regime met zelfbestuur voor de Tunesiërs. De Fransen reageerden met onderdrukking: de partij werd verboden, leiders werden gearresteerd of verbannen.
Maar de beweging was niet te stoppen. Ze paste zich aan, ging ondergronds, vond nieuwe leiders en wachtte op betere tijden. Die betere tijden kwamen met een generatie jonge intellectuelen die in Parijs hadden gestudeerd en de taal van de Franse Republiek gebruikten om haar op haar eigen beloften aan te spreken.
Habib Bourguiba en de Neo-Destour (1934)
De beslissende figuur was Habib Bourguiba, geboren in 1903 in Monastir in een arm gezin, opgeleid aan Franse scholen in Tunis en later aan de universiteit van Parijs. Hij keerde in 1927 terug als advocaat en begon al snel aan zijn politieke loopbaan. In 1934 splitste hij met een groep gelijkgestemden af van de Destour en stichtte de Neo-Destour, een moderne politieke partij gemodelleerd naar Europese socialistische partijen.
Bourguiba's strategie was pragmatisch en gericht op de lange termijn. Hij organiseerde massa's, bouwde een landelijk partijnetwerk op en stuurde aan op geleidelijke maar onherroepelijke onafhankelijkheid. De Fransen zagen hem als gevaarlijk: hij werd meerdere keren gearresteerd, verbannen naar het zuiden van Tunesië en later naar Frankrijk weggevoerd. Elke keer keerde hij terug, sterker dan tevoren.
De Tweede Wereldoorlog in Tunesië
Vichy, Duitsland en de geallieerden
Toen Frankrijk in juni 1940 capituleerde voor Duitsland, stelde het Vichy-regime zich aan het hoofd van het protectoraat. Tunesisch nationalisten zagen aanvankelijk kansen in de Franse nederlaag, maar de Duitsers boden geen bevrijding. Eind 1942 landden geallieerde troepen in Marokko en Algerije en drongen op naar Tunesië, dat de laatste fase van de Noord-Afrikaanse campagne meemaakte.
Van november 1942 tot mei 1943 was Tunesië het toneel van zware gevechten tussen geallieerde troepen, Britse legers vanuit het oosten en het Duits-Italiaanse Afrikakorps. De slag om Tunesië eindigde op 13 mei 1943 met de capitulatie van meer dan 250.000 Duits-Italiaanse soldaten, een van de grootste militaire capitulaties van de hele oorlog. Bourguiba zelf had geweigerd de zijde te kiezen van de Asmogendheden en had vanuit zijn gevangenschap opgeroepen de geallieerden te steunen, in de hoop dat een geallieerde overwinning de weg naar onafhankelijkheid zou openen.
De strijd om onafhankelijkheid
Onderhandelen en vechten (1950–1955)
Na de oorlog keerde Bourguiba terug en hernam hij de strijd. In 1950 deed de Neo-Destour nieuwe voorstellen aan de Fransen: overdracht van soevereiniteit en bestuursmacht aan de Tunesiërs. De Fransen aarzelden, beloofden hervormingen die uitbleven en reageerden op elke escalatie met repressie.
In 1952 werden Bourguiba en honderden partijleden opnieuw gearresteerd. Dat was het sein voor een gewapende opstand. Guerrillastrijders trokken de bergen en het binnenland in, saboteerden koloniale installaties en vielen Europese pachtboerderijen aan. De Fransen reageerden met militaire operaties maar slaagden er niet in de opstand te onderdrukken.
Intussen verloor Frankrijk internationaal terrein. In 1954 leed het een verpletterende militaire nederlaag in Vietnam bij Dien Bien Phu. In Algerije laaide de onafhankelijkheidsstrijd op in een conflict dat heel anders en bloediger zou worden dan het Tunesische. Premier Mendès France besloot in juli 1954 dat Tunesië binnenlandse autonomie zou krijgen.
20 maart 1956: onafhankelijkheid
De onderhandelingen verliepen niet zonder interne Tunesische spanningen. Salah ben Youssef, een rivaal van Bourguiba binnen de Neo-Destour, eiste onmiddellijke en volledige onafhankelijkheid en verwierp elk tussenakkoord. Bourguiba koos voor de pragmatische weg: autonomie eerst, onafhankelijkheid daarna. Hij won die interne strijd en Ben Youssef werd uit de partij gestoten.
Op 20 maart 1956 erkende Frankrijk de onafhankelijkheid van Tunesië. Het was een overwinning die met geduld, organisatie en slimheid was behaald, zonder de totale oorlog die Algerije zou verscheuren. Bourguiba was er de architect van en zou het nieuwe Tunesië als president gaan leiden, een rol die hij meer dan dertig jaar zou vervullen.
Wat de Fransen achterlieten
De erfenis van het protectoraat is tweeslachtig, zoals koloniale nalatenschappen doorgaans zijn. De infrastructuur, het onderwijssysteem, de rechtsstaat en de stedenbouwkundige structuur van moderne Tunesische steden zijn voor een groot deel Franse producten. De Franse taal is diep ingeburgerd in het Tunesische openbare leven: onderwijs, wetenschap, bestuur en media maken er nog altijd gebruik van.
Maar die modernisering was niet bedoeld voor de Tunesiërs zelf. Ze diende de belangen van het koloniale bestuur en de Europese kolonisten. De structurele ongelijkheid, de landonteigeningen en de politieke onderdrukking lieten wonden na die het onafhankelijke Tunesië jaren nodig had om te helen. De avenue die nu de naam draagt van Habib Bourguiba, de man die de Fransen buiten de deur zette, was ooit gebouwd om de Fransen te huisvesten.